Geschiedenis van het Claraklooster

Vegetarische Theresiaantjes en de Claraworst

De Clarastraat komt als ‘Claere Straet’ al op Middeleeuwse plattegronden van ’s-Hertogenbosch voor. Het is een smalle straat in de schaduw van de Sint Jan. Achter de Clarastraat stroomt het stadsriviertje de Dieze. Aan de noordkant komt de Clarastraat uit in de Hinthamerstraat, aan de zuidkant gaat de Clarastraat over in de Papenhulst. Op dit stukje stadsgrond, in het hart van de stad die om de vele katholieke kerken en kloosters wel het ‘Rome van het Noorden’ werd genoemd, hebben eeuwenlang nonnen geleefd: vanaf de late Middeleeuwen Clarissen en vanaf de negentiende eeuw Theresiaantjes oftewel Ongeschoeide Karmelietessen. Doordat het klooster van deze laatste ook in de Clarastraat lag, vergisten de Bosschenaren zich wel eens. Zo kregen de vegetarische Theresiaantjes niet zelden een worst aangeboden, met het verzoek om te bidden voor mooi weer. Dit gebruik behoort echter tot de traditie van de Clarissen: niet de Spaanse heilige Teresa van Avila, maar de Italiaanse Chiara (Clara, klaar, helder) di Assisi is de patrones van mooi weer.

 

Net geen eeuwfeest voor de Karmel van Den Bosch

De ingewikkelde kloostergeschiedenis van de Clarastraat was voor de Theresiaantjes een vingerwijzing Gods: ‘Het schijnt dus wel, dat Gods Voorzienigheid reeds eeuwen dit terrein voor Zijn uitverkoren volk had voorbehouden.’ Op de ruïnes van de Middeleeuwse Clarakerk werd rond 1870 begonnen met de bouw van een nieuw klooster, een karmel. Karmelieten en Karmelietessen noemen hun klooster een karmel waarmee zij verwijzen naar de berg Karmel in Israël. In de holen en spelonken van deze berg leefden in de Middeleeuwen kluizenaars die hun dagen en nachten zoveel mogelijk biddend doorbrachten. Deze levenswijze was ook de inspiratiebron van de eerste zusters die op 5 augustus 1872 hun intrek in de Bossche karmel namen. Bijna honderd jaar lang leefden er Theresiaantjes in Den Bosch: midden in de stad, maar toch voorgoed teruggetrokken binnen de muren en achter de tralies van hun slotklooster. Zij leefden zoveel mogelijk in stilte: de innerlijke zoektocht naar God was het belangrijkste doel in hun leven. De zusters leefden zeer sober. Ze hadden ieder een eigen cel, met een houten tafel en stoel. Ze sliepen op drie planken, waarop een strozak lag. De maaltijden, twee per dag, werden gemeenschappelijk genuttigd in de refter: eenvoudig vegetarisch eten en regelmatig vasten. In de winterdagen fungeerden slechts een paar stoven als warmtebron; deze gingen van cel naar cel. In koude winternachten lag er wel eens ijs op de dekens en werden de zusters met bevroren wangen wakker. Pas in 1951 kwam er centrale verwarming in huis. In de jaren zestig sijpelde het verlangen naar vernieuwing ook door de muren van de karmel heen. Hoe kon het oude behouden blijven en het nieuwe ingepast worden? Het lukte de zusters niet een antwoord op deze vraag te vinden. In 1971 namen zij met pijn in hun hart afscheid van elkaar en van hun huis, waar zij zo lang lief en leed met elkaar gedeeld hadden.

 

Verijdelde sloopplannen

Na opheffing van het klooster werd het gebouw in de jaren zeventig gehuurd door een steenfabriek en in gebruik genomen als pension voor haar Spaanse gastarbeiders. De jonge mannen, veelal afkomstig uit arme afgelegen dorpen, werkten overdag hard in de steenfabriek. Met tientallen aten en slapen ze in het voormalige klooster; soms stonden er wel drie bedden in een cel. Op zondag werden er in de kapel nog wel Spaanse missen gehouden en er werd zelfs een Spaans huwelijk ingezegend, maar het kloostercomplex, bijna een eeuwlang nauwgezet en liefdevol door de zusters verzorgd, werd toch grotendeels aan haar lot overgelaten. Eind jaren zeventig kocht projectontwikkelaar Wilma het klooster met de bedoeling het pand te slopen en er nieuwe appartementen neer te zetten. De steenfabriek werd de huur opgezegd. In afwachting van de sloophamer kreeg het zo goed als leegstaande pand nog een laatste bestemming, die tevens haar redding zou betekenen. Krakers die vanwege sloop- en verbouwingsplannen uit andere oude panden in de stad moesten vertrekken, kregen een deel van het voormalige karmelklooster (door iedereen ‘Claraklooster’ genoemd, omdat het klooster in de Clarastraat lag) als tijdelijke huisvesting aangeboden. Onder hen bevonden zich veel studenten van de kunstacademie. Zij keken door de verwaarlozing heen en zagen mogelijkheden om er te blijven wonen. Zij kwamen tegen de sloopplannen in verzet, namen een architect, Egbert Hoogenberk, in de arm en ontwikkelden een uitvoerbaar plan om het monumentale pand geschikt te maken voor sociale woningbouw. Daarbij streefden zij er naar zo min mogelijk in het bestaande gebouw in te grijpen. Op 1,2 en 3 maart 1985 werd het resultaat gevierd met een optreden van oa Hans Dulfer op het grote openingsfeest (“Clara klaar!”). Koningin Beatrix bezocht het gerenoveerde pand in juni 1986 in het kader van een werkbezoek aan stadsvernieuwende projecten. Clara's 25ste verjaardag is inmiddels gepasseerd en in ruime mate gevierd.